Open Monumentendag Utrecht 2014:  Op Reis! Open Monumentendag Utrecht 2014: Op Reis!

Nieuws

Sfeerverslag 2013

Thema

Algemene informatie

Organisatie

Archief

Contact

 

Utrechtse helden van de 19de eeuw

Negentien helden uit Utrecht leiden u in even zovele weken langs de geschiedenis van onze stad en haar belangrijke gebouwen in de negentiende eeuw. Wekelijks wordt een column gepubliceerd over een 19e eeuwse held op de De Nieuwe Utrechter (nieuwssite voor Utrecht, www.dnu.nu) en in het huis-aan-huisblad Ons Utrecht. De helden zijn benoemd op basis van hun betekenisvolle bijdrage aan de stad Utrecht, uitlopend van architect tot componist en van armenzorgster tot dominee. Onderstaand de gepubliceerde columns met de benoemde helden. Wekelijks wordt een ‘nieuwe’ held toegevoegd.


Held 1: Jan Maximiliaan van Tuyll van Serooskerken

Foto: Het Utrechts Archief

Jan Maximiliaan (1771-1843) was het neefje van de beroemde Belle van Zuylen en werd op Slot Zuylen geboren. Als militair en Oranje-aanhanger werd hij na de revolutie van 1795 uit zijn functie gezet. Jan ging rechten studeren en toen het revolutionaire vuur in 1802 wat gedoofd was, regelde Jan voor zichzelf een hoge bestuursfunctie. Hij maakte een goede indruk op Lodewijk Napoleon, die door zijn broer Bonaparte in 1806 op de troon van het nieuwe Koninkrijk Holland was gezet.

Lodewijk koos Utrecht als zijn residentie en bouwde er een groot paleis aan de Wittevrouwenstraat. Dat neoclassicistische gebouw is nu in gebruik als universiteitsbibliotheek. Lodewijk heeft er maar een paar weken gebruik van gemaakt, toen verhuisde hij naar Amsterdam. Napoleon zette een paar jaar later zijn broer aan de dijk en lijfde Nederland in.

Van Tuyll ontpopte zich als een slimme overlever en werd de hoogste ambtenaar in Utrecht. Hij wist vele keiharde maatregelen van de Franse bezetter in Utrecht te verzachten. In 1814 benoemde koning Willem I hem daarom tot de eerste gouverneur van de provincie Utrecht. Zijn handigheid gebruikte Jan nu om zichzelf te verrijken en familieleden baantjes te bezorgen. Dat leidde in 1828 tot zijn ontslag.

Auteur: Fred Vogelzang

Held 2: Hubert van Asch van Wijck

Foto: Het Utrechts Archief

De regentenzoon Hubert van Asch van Wijck (1774-1843) ging rechten studeren in Utrecht en kwam in 1813 al in het stadsbestuur terecht. Toen hij in 1826 burgemeester werd, lanceerde hij een ambitieus plan om de stad, omsnoerd door de middeleeuwse stadsmuren en gebukt gaand onder woningnood, ingrijpend te vernieuwen. Hij overtuigde de gemeenteraad om de muren af te breken en door wandelplantsoenen te vervangen, straten door te breken, mooie villa’s te bouwen en de bedrijvigheid te stimuleren. Zijn plannen voor arbeiderswoningen waren minder succesvol. De burgemeester zette zich in voor de stedelijke kunstcollectie, die werd ondergebracht in het Centraal Museum en stimuleerde het behoud van het gemeentelijk archief, waardoor we nu kennis kunnen nemen van de geschiedenis van de stad. De onder zijn leiding aangelegde Noorderkade werd bij zijn afscheid omgedoopt in Van Asch van Wijckkade. Niet alleen in de lokale politiekk was Van Asch van Wijck actief: hij was jarenlang lid van de Tweede Kamer. De burgemeester was een van de rijkste mannen in de stad en bezat veel onroerend goed op de Heuvelrug. Behalve van een kapitaal huis aan de Kromme Nieuwegracht was hij eigenaar van de buitenplaats Prattenburg bij Rhenen. Hij is begraven in De Bilt.

Auteur: Fred Vogelzang

Held 3: Johan David Zocher jr.

Foto: Het Utrechts Archief

De Haarlemse (tuin)architect Johan David Zocher jr. is vooral bekend van het Vondelpark en de Koopmansbeurs in Amsterdam en het singelplantsoen in Haarlem. Daarnaast heeft hij tientallen buitenplaatsen van rijke families ontworpen. Ook in de stad Utrecht was Zocher actief. Zo ontwierp hij in 1844 de begraafplaats Soestbergen aan de Gansstraat en adviseerde hij in 1860 om de nog onverharde wegen voor de huizen van de Maliebaan te verbreden door een rij bomen te rooien en langs beide huizenrijen een verhoogd trottoir aan te leggen. Zijn belangrijkste opdracht in Utrecht was de aanleg van een lommerrijk plantsoen op de gesloopte stadswallen, waar ook villa Lievendael en woningen langs de Van Asch van Wijckskade onderdeel van uitmaken. Om de armzalige huizen, die na de afbraak te voorschijn kwamen te camoufleren, gebruikte Zocher hoogteverschillen. Slingerende wandelpaden boden uitzicht over het water en de bolwerken en stukken stadsmuur dienden als romantisch element. In de loop van de negentiende eeuw veranderde de smaak en raakte de stijl van Zocher, het neoclassicisme, volledig uit de gratie. Gelukkig wordt het Singelplantsoen tegenwoordig als rijksmonument beschermd. Veel van de bomen die Zocher destijds heeft aangeplant, staan er nog steeds. Op Open Monumentendag kunt u het plantsoen bezichtigen, ook onder leiding van gidsen.

Auteur: Mascha van Damme

Held 4: Petrus Johannes Houtzagers

Foto: Het Utrechts Archief

De Utrechtse architect Houtzagers speelde een grote rol bij de veranderingen in de stad aan het einde van de negentiende eeuw. Zijn woonhuizen, villa’s, kerken, badhuizen en winkels zijn op vele plekken in Utrecht te vinden. Als directeur en leraar van het Museum en de School voor Kunstnijverheid (opgericht in 1884) was hij een voorbeeld voor een nieuwe generatie Utrechtse architecten, onder wie Gerrit Rietveld.
Petrus Houtzagers werd geboren in een welgesteld Utrechts gezin. Na een opleiding in Delft en Parijs, vestigde hij zich in 1882 als architect in Utrecht. Hij bouwde niet alleen in opdracht van anderen, maar was ook actief als ‘eigenbouwer’, bijvoorbeeld voor een reeks huizen aan het net aangelegde Wilhelminapark en bij de Ramstraat. Een mooi voorbeeld van zijn werk is de sociëteit Sic Semper op de hoek Nieuwegracht/ Trans (1889). Houtzagers creëerde een geheel eigen architectuur met elementen uit verschillende historische stijlen. Hij bleef actief als architect tot op hoge leeftijd. Zowel Sic Semper als een aantal door hem ontworpen woonhuizen zijn te bezichtigen op Open Monumentendag. Van Houtzagers is geen portret bewaard gebleven, vandaar bijgaand een afbeelding van Sic Semper.

Auteur: Bettina van Santen


Held 5: Nicolaas Pieter Jacob Kien



Foto: Het Utrechts Archief

Burgemeesters en regenten in de 19e eeuw waren in Utrecht vooral bezig met bouwen, ze wilden altijd iets achterlaten. We zagen dat als voorbeeld al met burgemeester Van Asch van Wijck. Sociale kwesties speelden nauwelijks, dat werd overgelaten aan de kerken en armenbesturen. De arbeidersbeweging moest nog op gang komen.

Nicolaas Pieter Jacob Kien was bijna veertig jaar burgemeester, namelijk van 1839 tot 1878. Een prestatie aangezien de man niet geliefd was in de stad. Hij was een conservatief jurist en bestuurder pur sang. Hij zat ook in de Tweede Kamer en de Provinciale Staten. Als kapitein van de Schutterij nam hij in 1831 deel aan de tiendaagse veldtocht tegen België, dat zich aan het afscheiden was van Nederland en de Oranjes van de Belgische troon af wilde hebben.

De foto van Kien verraadt zijn heerszucht die hij volgens de Utrechters ook had. Naast de ambtsketen draagt hij ook nog zijn onderscheidingen. Hij was niet bezig met bouwen, maar vooral met slopen, al kun je dat misschien ook een Utrechtse traditie noemen. De stadsmuren en -poorten werden in zijn periode neergehaald. Met enige fantasie hebben wij het singelplantsoen aan hem te danken. Wellicht was de veiligheid in de stad bij hem wel in goede handen, al was dat toen nog niet de belangrijkste burgemeesterstaak. Zijn nevenfuncties zoals curator, zowel van de universiteit als van het gymnasium, en commissaris van de Nederlandsche Rhijnspoorwegmaatschappij bevestigden zijn maatschappelijk aanzien.

Toch is het opmerkelijk dat hij zich zo lang heeft weten te handhaven, want zijn levenswandel gaf regelmatig aanstoot. Hij was in naam hervormd maar kerkelijk allesbehalve meelevend, en als bezoeker van de zusters van betaalde liefde was zijn zedelijke reputatie niet onomstreden. Na het einde van zijn bestuursperiode vertrok hij onmiddellijk naar België, vermoedelijk om gezondheidsredenen. Tekenend is dat naar Kien geen straat vernoemd is.

Auteur: René Verhulst

Held 6: Elisabeth Bernardina van Bijlevelt-le Brun

Foto: Het Utrechts Archief

Al hadden getrouwde vrouwen in de negentiende eeuw weinig te vertellen, deze Elisabeth is van grote betekenis geweest voor Vleuten. Normaal kon een echtgenoot vrijelijk beschikken over de bezittingen van zijn vrouw, maar het was Elisabeth die in 1872 een stuk grond verkocht ten behoeve van de bouw van het te bouwen (en nu nog bestaande) gemeentehuis in Vleuten.

Ze was getrouwd met een arts en woonde in huize Alenvelt, een hofstede, die een jaar na haar huwelijk (1868) in brand vloog. De familie toog tijdelijk naar kasteel Den Ham, dat ooit het bezit van haar echtgenoot was en maar nu gehuurd werd. Van deze periode is dit schilderij bekend uit 1878 ,door haar oom, de Utrechtse Gijsbertus Craeyvanger geschilderd. Zoals
te zien is, staat de Hamtoren op de achtergrond.

Zij bleven tamelijk lang op Den Ham wonen, want pas in 1883 werd er een nieuw huis Alenvelt gebouwd. Het lijkt qua ontwerp op het nieuwe gemeentehuis. Heeft zij hiervoor haar voorkeur uitgesproken? Hoogst waarschijnlijk zal zij zich wel met het interieur bemoeid hebben. Het Alenveltpark herinnert nog aan dit huis, dat inmiddels is afgebroken.

Auteur: Wineke Hiddema

Held 7: Gerlacus Ribbius Peletier jr.

Foto: Het Utrechts Archief

Ribbius Peletier richtte in 1844 een sigarenfabriek op, waar al snel 150 mannen werkten. Veel werknemers woonden in de Zeven Steegjes. In 1859 liet hij aan de Oudegracht 364 het pand De Gesloten Steen bouwen, de eerste fabriek in Nederland met een aparte werkafdeling voor vrouwen en kinderen. Peletier zag het inschakelen van vrouwen als een sociale daad: hij bood ze een inkomen, regelmaat en normen en waarden. Anderen, waaronder de destijds in Utrecht woonachtige socialist Troelstra, vonden hem een beul die zijn arbeiders 10 tot 12 uur per dag in een stoffige ruimte liet werken. Toen Ribbius Peletier zich in 1895 uit de firma terugtrok stortte hij 25.000 gulden in een pensioenfonds voor zijn arbeiders. Dat jaar werd de firma omgezet in de N.V. Koninklijke Tabak- en Sigarenfabriek voorheen G. Ribbius Peletier Jr. In 1909 vond een grootscheepse verbouwing en uitbreiding plaats door architect E.M. Kuiler. De fabriek telde toen bijna vierhonderd werknemers. Er werden 150 merken sigaren geproduceerd waarvan een groot deel naar het buitenland werd geëxporteerd. Ribbius Peletier woonde in de directeurswoningen naast de fabriek, maar liet in 1901 een nieuw huis voor zichzelf bouwen aan de Maliebaan 15. Beide panden zijn te bezichtigen tijdens Open Monumentendag.

Auteur: Mascha van Damme

Held 8: Theodorus de Klaver

Foto: Het Utrechts Archief

Al was het verbod op de openbare uitoefening van het katholieke geloof sinds 1795 opgeheven, in veel plaatsen hadden de roomsen geen officiële kerk. In Vleuten kerkten ze op 't Hoog in een oude schuilkerk, vlakbij kasteel Den Ham. Pastoor Theodurs de Klaver klaagde in 1884 dat de schuilkerk te krap werd, waardoor de mensen zelfs bij het altaar moesten zitten. Er was echter geen geld voor de bouw van een eigen kerk, totdat Simon P.W.H. van Bijlevelt een hectare grond bij zijn huis Alenveld schonk. Door dit gebaar van 'een milddadige edele hand' kon De Klaver als bouwpastoor zijn droom concreet maken. Hij riep zijn parochianen op om in te tekenen voor jaarlijkse termijnen, vijf jaar lang, en ook om op andere manieren geld te storten. Op deze wijze werd de kerk niet gebouwd door 'eenigen maar door allen' en werd het een gebouw van edereen. 'Geef vooral ter eere van God- tot bevordering van het waarachtig heil van de 'gemeente', waren zijn woorden. Uiteindelijk is er 61.359 gulden bijeengebracht. Architect werd N. Molenaar, een leerling van de beroemde P.J.H. Cuypers die zich enige jaren later in deze contreien met de herbouw van kasteel de Haar onsterfelijk zou maken. De neogotische kerk heeft de spitse toren die kenmerkend is voor Molenaar.

Auteur: Wineke Hiddema

Held 9: Jacobus Schroeder van der Kolk

Foto: Het Utrechts Archief

Schroeder van der Kolk (1797-1862) geldt als de grote vernieuwer op het gebied van de krankzinnigenzorg in Nederland. Dankzij hem werd het Willem Arntshuis in de negentiende eeuw het modernste psychiatrische ziekenhuis van ons land. Schroeder van der Kolk was in 1820 in Groningen gepromoveerd in de medicijnen en werkte daarna in het Amsterdamse Buitengasthuis. Zijn groeiende reputatie leidde in 1827 tot aanstelling als hoogleraar aan de Utrechtse Universiteit.Hij nam zitting in het regentencollege van het ‘dolhuis’: het Willem Arntszhuis. ‘Dolle mensen’ werden in die tijd beschouwd als ongeneeslijk, die het beste levenslang opgeborgen konden worden. Vaak werden ze vastgeketend in een cel. Elke verzorging ontbrak. Schroeder van der Kolk zag dat anders. Hij beschouwde deze mensen als zieken, die geholpen moesten worden met een goede verzorging, met medicijnen en met arbeidstherapie. Straf en lichamelijk geweld tegen patiënten werden door hem streng verboden. Zijn opvattingen zette hij bij het Willem Arntzshuis meteen om in daden. Hij liet het gebouw in 1830 moderniseren. Daar hoorde ook de bouw van een nieuwe vleugel aan de Agnietenstraat bij, die nu gebruikt wordt door het Centraal Museum. De toenmalige minister van Binnenlandse Zaken vroeg Schroeder mee te werken aan een nieuwe wet voor de krankzinnigenzorg, die in 1841 werd aangenomen. Zo vonden zijn moderne opvattingen in heel Nederland weerklank.

Auteur: Bettina van Santen

Held 10: Johan Ludwig Bernard de Muralt (1818-1889)

Villa Het Hoogeland

Misschien was hij de Mark Rutte van deze tijd. Jonkheer De Muralt, zijn vader was een Zwitserse militair die zich in 1829 liet inlijven in het Nederlandse leger, inclusief adellijke titel. De Muralt junior genoot van het Utrechtse studentenleven en werd al snel jurist, advocaat, liberaal politicus en wethouder. Hij doorbrak het steile en conservatieve bestuur van de stad. Hij richtte de Utrechtse Kiesvereniging op, die een machtsblok werd in de stad. Die vereniging werd gevormd vanuit sociëteiten en de Kamer van Koophandel. Een nieuwe elite vanuit de handel en fabrieken werd een liberale politieke factor. Maar De Muralt had ook aandacht voor sociale woningbouw voor “arbeidenden en minvermogenden.” De in aflevering 5 beschreven dictatoriale burgemeester Kien bestreed zijn wethouder De Muralt op felle wijze. Kien verbood zelfs de gemeentesecretaris, wanneer hij afwezig was, om De Muralt de stukken te laten tekenen. De Muralt ging door met zijn liberale beweging en wist halverwege de 19e eeuw het conservatieve establishment te verslaan. Met de wethouders Ram en Royaards van den Ham vormde hij een vrijzinnig college waarbij de heren elkaar niet spaarden met gebulder als: 'het is onwaar, gij liegt het, het zijn valsche voorstellingen en gij zijt stokdoof'.En dan hebben we het tegenwoordig nog over omgangsvormen in de politiek. De Muralt had overal een vinger in de pap en was een echte netwerker. Het was ook op zijn voorstel dat het Stedelijk Museum werd ondergebracht in de buitenplaats Het Hoogeland, die in 1888 was aangekocht. De Muralt trouwde op latere leeftijd en woonde aan de Kromme Nieuwe Gracht en Trans 10. . De industrialisatie en gedaanteverwisseling van Utrecht na 1890 heeft hij niet meer meegemaakt. In dat opzicht is hij nog een man van het oude Utrecht geweest. Het Hoogeland aan de Museumlaan is open op monumentendag 2010.

Auteur: René Verhulst

Held 11: Hendrik van Lunteren 1780–1848

Foto: Het Utrechts Archief

Hendrik Swellengrebel, de gefortuneerde eigenaar van de Doornse buitenplaats Schoonoord, bleek bij zijn dood in 1803 aan de veelbelovende zoon van zijn tuinbaas een aanzienlijk bedrag in contanten en waardevolle goederen nagelaten te hebben. Dankzij deze erfenis kon Hendrik van Lunteren in 1803 een stuk grond kopen aan de voet van de Domtoren. Dit terrein was vrijgekomen door de sloop van het gotische bisschoppelijke paleis een jaar eerder. Hier bezaten drie opeenvolgende generaties Van Lunteren tot 1911 een kwekerij, genaamd Flora’s Hof. Er stonden onder meer vruchtbomen, heesters en oranjeriegewassen. Hendrik ontwikkelde zich ook tot tuinarchitect. In zijn tijd kon hij wedijveren met de nu meer vermaarde Jan David Zocher.
Op bijvoorbeeld de Utrechtse Lustwarande heeft Van Lunteren diverse tuinontwerpen op zijn naam staan. Groot was de verrassing toen enige jaren geleden zijn parkontwerp voor Vollenhoven in Zeist aldaar op zolder gevonden werd. Aan het eind van de Maliebaan heeft Van Lunteren het park rondom de buitenplaatsen De Oorsprong en Het Hogeland vormgegeven, hoewel van zijn aanleg inmiddels wel het een en ander verdwenen is. In het voormalige woonhuis van de familie Van Lunteren aan de Servetstraat 5 bevindt zich thans een boekhandel waarvan de achterzaal, die voorzien is van een houten tongewelf, ooit dienst deed als oranjerie.

Auteur: Ronald Trüm

Held 12: Hendrik Jan van Lummel (1815-1877)

Foto: Het Utrechts Archief


Hendrik Jan van Lummel (1815-1877) heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het onderwijs in Utrecht en daarbuiten. Generaties zijn onderwezen met zijn schoolplaten en -boeken. Van Lummel kwam in 1848 naar Utrecht om les te geven als hoofdonderwijzer aan de 4e diaconieschool aan de Springweg. Deze diaconieschool was in 1848 gesticht door de regenten van de Nederduits Hervormde Gemeente. In 1857 kwam er aan de Springweg een opleiding bij voor onderwijzers en kwekelingen, ondergebracht in de – nog steeds bestaande – Marnixstichting. Van Lummel wijdde zich met toewijding aan deze nieuwe taak, waarbij zijn hart vooral uitging naar het onderricht van de vaderlandse geschiedenis. Van Lummel is de vader van de schoolplaat: vanaf 1857 verschenen van zijn hand meer dan 150 schoolplaten, uitgegeven bij Kemink en Zoon. De Utrechtse geschiedenis kreeg zijn volle aandacht in boeken als de Smidsgezel van Utrecht en de Bijlhouwer van Utrecht. De voormalige school aan de Springweg 89-91 toont nog het opschrift: De Vreeze des Heeren is het beginsel der wetenschap’.

Auteur: Bettina van Santen

 

Held 13: Henriëtte Swellengrebel (1810-1874)

 

Foto: Het Utrechts Archief

Vrouwen uit de betere standen werden in de negentiende eeuw niet geacht vuile handen te maken. Hun energie konden ze gebruiken voor liefdadigheid. Henriëtte Swellengrebel, dochter van een Utrechtse officier van Justitie, was al jong actief bij de opvang van armen en hulpbehoevenden. In 1843 hoorde ze voor het eerst over het diakonessenwerk, dat in Duitsland en Frankrijk populair was. Al snel stichtte ze een Utrechtse afdeling en binnen een jaar kon een eerste Diakonessenhuis aan de Springweg worden geopend. In dat huis werden christelijke vrouwen die in ellendige omstandigheden verkeerden, opgevangen. Al snel werd het Diakonessenhuis vooral een plek waar zieken werden verzorgd. Vrouwen uit alle rangen en standen konden diakones worden. Ze moesten wel ongebonden zijn. Het was vrijwilligerswerk, maar als tegenprestatie kregen ze kost en inwoning en werden bij ziekte zelf door hun zusters verzorgd. Henriette werd de eerste directrice en vond haar levensvervulling in het werk voor de zieken. Het succes van het huis noopte tot het betrekken van een groter pand, dat later uitgroeide tot een heel complex nabij de huidige Diakonessenstraat. De groei veroorzaakte ook onenigheid over de koers. Henriëtte trok zich daarom terug uit het bestuur, maar bleef intensief bij het werk betrokken. Zo zeer ging ze in haar werk op, dat ze haar eigen gezondheid verwaarloosde. Steeds meer taken kwamen op haar schouders te rusten en in 1874 overleed ze onverwacht. Onder grote belangstelling werd ze begraven. In 1913, lang na de dood van Henriëtte, verhuisde het Diakonessenhuis naar de huidige locatie.

Auteur: Fred Vogelzang

Held 14: Alfred Tepe 1840-1920

Foto: Het Utrechts Archief

Nadat de godsdienstvrijheid in de grondwet was geregeld, werd in 1853 de bisschoppelijke hiërarchie hersteld. De voormalige kerk van het Catharijneconvent doet sindsdien dienst als zetel van het opnieuw opgerichte aartsbisdom Utrecht. Op verzoek van bisschop Schaepman maakte bouwmeester Alfred Tepe het restauratieplan van de voorgevel. Vervolgens barstte er een katholieke bouwgolf los. Elke parochie wilde een nieuwe kerk bouwen. Aangezien nog maar weinig architecten ervaring hadden met kerkenbouw, werd gezocht naar nieuwe ontwerpers en een passende bouwtraditie. De kapelaan van de Catharijnekerk, Gerardus van Heukelum, trok een groep kunstenaars aan, die vanaf 1869 samenwerkte in het Bernulfusgilde en naar middeleeuws voorbeeld kerken ontwierpen. Alfred Tepe was de voornaamste architect en het merendeel van de kerkinterieurs werd ontworpen door de beeldhouwer Friedrich Wilhelm Mengelberg. Het meest uitmuntende voorbeeld is de Willibrorduskerk (1877). Het interieur is overweldigend kleurrijk beschilderd en gedecoreerd door verschillende leden van het St. Bernulfusgilde.
In 1871 kocht Tepe een stuk grond aan de Maliebaan, waar hij voor zichzelf, zijn broer en Mengelberg een woonhuis met ateliers liet bouwen. Naast zijn eigen woonhuis en ruim 70 kerken ontwierp Tepe vele andere gebouwen die verbonden waren met de katholieke kerk, waaronder kloosters, scholen en weeshuizen en bijvoorbeeld de begraafplaats St. Barbara aan de Prinsesselaan (1875). Allemaal uitgevoerd in de neogotische stijl, die ruim een halve eeuw de katholieke architectuur zou domineren.

Auteur: Mascha van Damme


Held 15: Franciscus Cornelis Donders (1818-1889)


Foto: Het Utrechts Archief


Aan het einde van de Biltstraat ligt de F.C. Dondersstraat, die een prachtige blik geeft op het Ooglijdersgasthuis. Dit neorenaissancegebouw werd in 1894 geopend en is net zo'n standbeeld voor de wereldberoemde oogarts Donders als zijn gelijkenis op het Janskerkhof. Donders kwam uit een eenvoudig gezin uit Tilburg maar kon zo goed leren, dat hij werd aangenomen aan de militaire kweekschool voor geneeskundigen. Hij promoveerde daarna in Leiden en werd in Utrecht docent en hoogleraar. Hij was zeer cultureel geïnteresseerd en hij zal dan ook zeer trots geweest zijn toen componist Johannes Brahms zijn laboratorium bezocht. Donders specialiseerde zich in het menselijk oog en werd een van de grote specialisten op dat gebied. Hij trok zoveel patiënten, dat een speciale kliniek in de Wijde Begijnestraat werd geopend. Professor Donders was populair bij zijn studenten en gaf lezingen door heel Europa. Hij schreef meer dan 300 boeken en artikelen en in 1866 werd een gloednieuw laboratorium aan de Van Asch van Wijckskade in gebruik genomen. Nicolaas Beets, de bekende dominee/dichter, noemde Donders een groot en goed mens en die reputatie bleek ook bij Donders' emeritaat, toen beroemdheden uit binnen- en buitenland hem grote complimenten maakten. Donders was een van de beroemdste Utrechters uit zijn tijd en het is niet meer dan passend dat zo'n prachtig gasthuis aan de naar hem vernoemde straat zijn nagedachtenis levend houdt.

Auteur: Fred Vogelzang

Held 16: Unico Wilhelm Teutonicus

Foto: Het Utrechts Archief

Unico W.T. Cazius (1766-1832) verwier aan het begin van de negentiende eeuw het monopolie van de productie van cement . Hij kwam uit een echte Utrechtse patriciersfamilie, waarvan meerdere leden behoren tot de Ridderlijke Duitse Orde. Cazius bracht het tot rentmeester-generaal van die Orde. De familie bezat ook een vingerhoedfabriek aan de Bilstraat én een steen-, pannen- en cementfabriek aan de Catharijnesingel. Cazius verkreeg rond 1810 het octrooi op het zogenaamde ‘kunstcement’ (of Amsterdams cement). Daarmee sleepte hij een groot aantal rijksopdrachten binnen. Er werkten meer dan 100 man in zijn fabriek. In 1824 kocht Cazius herberg ’t Boompje aan de Biltstraat en bouwde er zijn nieuwe landshuis met het moderne kunstcement in de dan uiterst moderne ‘Empire stijl’, die uit Frankrijk was overgewaaid. Hij noemde het buiten ‘De Oorsprong’ en liet tuinarchitect Hendrik van Lunteren een landschapstuin aanleggen met een koetshuis, een prieel in oosterse stijl en een goudvisvijver. De voorgevel van het huis werd niet gericht op de Biltstraat, maar op de brug over de Biltse Grift.

Auteur: Bettina van Santen

Held 17: Christiaan Kramm (1797-1875)

Foto: Het Utrechts Archief

Architect Christiaan Kramm was een geboren Utrechter. Hij woonde vanaf 1828 tot aan zijn dood in het zelf ontworpen en inmiddels afgebroken landhuis Rusthof aan de Kapelstraat. Zoals gebruikelijk in de negentiende eeuw heeft hij zich het architectuurvak zelf aangeleerd. Kramm ontwierp niet alleen gebouwen, hij adviseerde ook bij belangrijke bouwopdrachten. In 1822 kreeg Kramm opdracht van Baron van Tuyll van Serooskerken om de Utrechtse Dom op te meten. Zijn opmetingstekeningen werden gepubliceerd in een Duits boek over de Europese architectuurgeschiedenis en vormden de aanleiding voor de eerste grote restauratie plaats van de Domkerk. Veertig jaar lang werkte Kramm als directeur van de afdeling bouwkunde aan de Utrechtse Stadstekenschool. Tijdens een reis naar Engeland verdiepte hij zich in de neogotiek en in de moderne ontwikkelingen van bouwtypen zoals gevangenissen. Kramm maakte een ontwerp voor de gevangenis aan het Wolvenplein dat helaas niet werd uitgevoerd. Maar in opdracht baron Van Heeckeren transformeerde hij kasteel Beverweert tot een neogotisch landhuis. Zijn grootste opdrachten waren de verbouwing en uitbreiding van Paushuize en het Paleis van Justitie (Provinciaal Gerechtshof). Voor dit huidige gebouw van Het Utrechts Archief aan de Hamburgerstraat ontwierp hij in 1836 een neoclassicistische vleugel. Beide opdrachten waren aanleiding om Kramm te benoemen tot Provinciaal Architect.

Auteur: Mascha van Damme

Held 18: Catharina van Rennes (1858-1940)

Foto: Het Utrechts Archief

Als klein meisje was Catharina van Rennes (1858-1940) al bezeten van muziek. Zij zong altijd en liep door de hele stad achter de draaiorgels aan. Haar vader, een graanhandelaar die aan de Mariaplaats woonde, gaf Catharina haar eerste pianolessen. Ze ging naar de muziekschool en kreeg zangles van de beroemde Utrechtse dirigent en componist Richard Hol. In 1885 trad ze op in binnen- en buitenland. Ze had toen al een aantal eigen kinderliedjes geschreven. Ze vond echter haar stem niet goed genoeg om als solozangeres op te treden en richtte zich meer op het dirigeren. Bij de kroning van Wilhelmina in 1898 dirigeerde ze een kinderkoor van maar liefst 1800 kinderen! Ze componeerde een aantal liederen en kwartetten, maar misschien haar beroemdste werk is het liedje ‘Drie kleine kleutertjes’. Ze werd actief binnen het feminisme, maar was wel erg betrokken bij vrouwenverenigingen die streefden naar een gezonde en bewuste levensstijl. Ze begon haar eigen muziekschool, eerst aan het Pieterskerkhof, later in haar woonhuis aan de Brigittenstraat nr. 1. De lessen die Catharina als kind had gevolgd, vonden plaats aan de in 1875 in Utrecht gevestigde Toonkunstmuziekschool. De concertzaal waar de leerlingen optraden en misschien een bevende Catharina haar eerste pianorecitel heeft gegeven, bevond zich in het neoclassicistische Gebouw van Kunsten en Wetenschappen, gebouwd in 1844 op de plek van de vroegere Mariakerk. K&W maakt nog steeds deel uit van het Utrechtse Conservatiorium.

Auteur: Fred Vogelzang

Held 19: Nicolaas Beets

Foto: Het Utrechts Archief

Hoewel Haarlem koketteert met Nicolaas Beets is hij toch vooral een echte Utrechtse negentiende-eeuwer. Beets werd in 1814 geboren aan het Spaarne, maar kwam in 1854 als dominee naar Utrecht en overleed daar in 1903. Hij woonde aan de Boothstraat 6. In die altijd wat sombere straat kwam hij tot een enorm oeuvre. Hij schreef poëzie, preken en proza. Ondertussen was hij ook nog hoogleraar Kerkgeschiedenis aan de universiteit. Onder het pseudoniem Hildebrand schreef hij de Camera Obscura, een literair hoogtepunt van die tijd. Het boek is een ‘reality soap’ met grappige situaties en drama. Wat te denken van de verwaande Utrechtse student Pieter Stastok die wordt ingeblikt bij het biljarten door de stamgasten van koffiehuis Noordstar. Beets neemt feilloos de gegoede stand op de hak. Drama is er met Keesje het diakenhuismannetje. Die brengt zijn laatste levensjaren door aan de Oude Gracht,waar nu Oudaen is. Op de poort is nog te zien dan het ooit van de diaconie was. Keesje mocht van de Regenten in zijn eigen hemd worden begraven. Beets was misschien wel de beroemdste Utrechter in de negentiende eeuw. Dagelijks maakte hij een wandelingetje over de Maliebaan, aan de arm van zijn dochter. De Maliebaan staat centraal op Open Monumentendag 2010.

Autuer: René Verhulst

 

home